Saṃyutta Nikāya

22.53. Gehecht

Te Savatthi. Daar zei de Gezegende: “Iemand die gehecht is, die is niet bevrijd; iemand die ongehecht is, die is bevrijd. Mocht bewustzijn, wanneer dat (stil) staat, gehecht raken aan (een fysieke) vorm, ondersteund worden door vorm (als haar object), gefundeerd zijn op vorm en doorweekt zijn met genot; dan zou het groei vertonen, vermeerdering en toename.”

“Mocht bewustzijn, wanneer dat (stil) staat, gehecht raken aan gevoel, ondersteund worden door gevoel (als haar object), gefundeerd zijn op gevoel en doorweekt zijn met genot; dan zou het groei vertonen, vermeerdering en toename.”

“Mocht bewustzijn, wanneer dat (stil) staat, gehecht raken aan waarneming, ondersteund worden door waarneming (als haar object), gefundeerd zijn op waarneming en doorweekt zijn met genot; dan zou het groei vertonen, vermeerdering en toename.”

“Mocht bewustzijn, wanneer dat (stil) staat, gehecht raken aan mentale formaties, ondersteund worden door mentale formaties (als haar object), gefundeerd zijn op mentale formaties en doorweekt zijn met genot; dan zou het groei vertonen, vermeerdering en toename.”

“Wanneer er iemand zou zeggen: ‘Ik zal een opkomen, een vergaan, een voorbijgaan, een ontstaan, een groei, een vermeerdering of een toename van bewustzijn beschrijven dat los staat van vorm, van gevoel, van waarneming, van mentale formaties’, dan zal dat niet mogelijk zijn.”

“Als een monnik de hartstocht verlaat om vorm te bezitten, dan, vanwege het verlaten van die hartstocht, is de ondersteuning afgekapt en is er geen basis meer voor bewustzijn. Bewustzijn dat aldus geen basis heeft, niet toeneemt, geen enkele functie meer uitvoert, is bevrijd. Vanwege haar bevrijding, staat het stil. Vanwege haar stilheid, is het tevreden. Vanwege haar tevredenheid, is het rustig. Wanneer hij (de monnik) rustig is, is hij van binnen volkomen ongebonden. Hij begrijpt dat ‘Geboorte tot een einde is gebracht, het heilige leven vervuld is, de taak erop zit. Er is niets meer voor deze wereld.’”

“Als een monnik de hartstocht om gevoel te bezitten laat varen, (...).”

“Als een monnik de hartstocht om waarneming te bezitten laat varen, (...).”

“Als een monnik de hartstocht om mentale formaties te bezitten laat varen, (...).”

“Als een monnik de hartstocht om bewustzijn te bezitten laat varen, dan, vanwege het laten varen van hartstocht, is de ondersteuning afgekapt en is er geen basis meer voor bewustzijn. Bewustzijn dat aldus geen basis heeft, niet toeneemt, geen enkele functie meer uitvoert, is bevrijd. Vanwege haar bevrijding, staat het stil. Vanwege haar stilheid, is het tevreden. Vanwege haar tevredenheid, is het rustig. Wanneer hij (de monnik) rustig is, is hij van binnen volkomen ongebonden. Hij begrijpt dat ‘Geboorte tot een einde is gebracht, het heilige leven vervuld is, de taak erop zit. Er is niets meer voor deze wereld.’”