Saṃyutta Nikāya

56.11. Het in beweging zetten van het Wiel der Wet

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende in het hertenpark (Migadaya) van Isipatana, nabij Varanasi (het toevluchtsoord voor asceten). Daar sprak hij de groep van vijf monniken toe.

“Monniken, er zijn twee uitersten die niet in praktijk gebracht horen te worden door iemand die het wereldse leven verlaten heeft. Welke zijn deze twee? Er is beoefening van het najagen van plezier in de objecten van zintuiglijke begeerten, hetgeen minderwaardig, laag, vulgair, verachtelijk is, en niet naar het goede leidt; en er is beoefening van zelfkwelling, hetgeen pijnlijk is, verachtelijk, en niet naar het goede leidt.”

“Monniken, de middenweg (majjhima patipada), welke door de Tathagata begrepen is, vermijdt deze beide uitersten; deze brengt visie voort, deze brengt kennis voort, en deze leidt tot vrede, tot inzicht, tot verlichting, tot Nibbana. En wat is die middenweg die door de Tathagata begrepen is, die visie voortbrengt, die kennis voortbrengt, en die leidt naar vrede, naar inzicht, verlichting en Nibbana? Dat is eenvoudigweg het Edel Achtvoudige Pad (ariya atthangika magga), namelijk: juist begrip (samma ditthi), juiste gedachten (samma sankappa), juiste spraak (samma vaca), juist handelen (samma kammanta), juiste wijze van levensonderhoud (samma ajiva), juiste inspanning (samma padhana), juiste indachtigheid (samma sati), juiste concentratie (samma samadhi). Dit is de middenweg die door de Tathagata begrepen is, die inzicht voortbrengt, die kennis voortbrengt, en die naar vrede, naar inzicht, verlichting en Nibbana leidt.”

“Dit monniken, is de edele waarheid van lijden (dukkha): Geboorte is lijden (jati), ouderdom (jara) is lijden, ziekte (vyadhi) is lijden, dood (marana) is lijden, verdriet (soka) en weeklagen (parideva), pijn (dukkha), smart (domanassa) en wanhoop (sambhavanti) zijn lijden; gevoegd worden bij het onaangename is lijden (appiyehisampayoga), gescheiden worden van het geliefde is lijden (piyehivippayoga), niet krijgen wat men wil, is lijden (yampiccam nalabhati tampi dukkam)—kortom, de vijf groepen (die het object zijn) van hechten (pañca upadana kkhandha), zijn lijden (samkhittena pañcupadanakkhandha dukkha).”

“Dit monniken, is de edele waarheid van de oorzaak (samudaya) van lijden: Het is de hunkering die wedergeboorte (patisandhi) veroorzaakt en welke gepaard gaat met hartstocht en wellust, en welke bevrediging zoekt in dingen, dan weer hier, dan weer daar, namelijk: hunkering naar zintuiglijke geneugten (kama tanha), hunkering naar bestaan, en hunkering naar niet-bestaan.”

“Dit, monniken, is de edele waarheid van de opheffing (nirodha) van lijden: Het is het volledig doen verwelken en doen ophouden, het opgeven, het laten varen, het loslaten en het verwerpen van deze hunkering.”

“Dit, monniken, is de edele waarheid van het pad (magga) dat leidt naar de opheffing van lijden: Het is eenvoudigweg het Edel Achtvoudige Pad (ariya atthangika magga), namelijk: juist begrip (samma ditthi), juiste gedachten (samma sankappa), juiste spraak (samma vaca), juist handelen (samma kammanta), juiste wijze van levensonderhoud (samma ajiva), juiste inspanning (samma vayama), juiste indachtigheid (samma sati), juiste concentratie (samma samadhi).”

1.1. “‘Dit is de edele waarheid van lijden.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

1.2. “‘Dit is de edele waarheid van lijden, en die moet begrepen worden.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

1.3. “‘Dit is de edele waarheid van lijden, en die is begrepen.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

2.1. “‘Dit is de edele waarheid van de oorzaak van lijden.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

2.2. “‘Dit is de edele waarheid van de oorzaak van lijden, en die moet opgeheven worden.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

2.3. “‘Dit is de edele waarheid van de oorzaak van lijden, en die is opgeheven.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

3.1. “‘Dit is de edele waarheid van de opheffing van lijden.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

3.2. “‘Dit is de edele waarheid van de opheffing van lijden, en dat moet verwezenlijkt worden.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

3.3. “‘Dit is de edele waarheid van de opheffing van lijden, en dat is verwezenlijkt.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

4.1. “‘Dit is de edele waarheid van het pad dat leidt naar de opheffing van lijden.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

4.2. “‘Dit is de edele waarheid van het pad dat leidt naar de opheffing van lijden, en dat moet ontwikkeld worden.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

4.3. “‘Dit is de edele waarheid van het pad dat leidt naar de opheffing van lijden, en dat is ontwikkeld.’ Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had.”

“Zolang, monniken, mijn kennis en ‘de dingen zien zoals ze werkelijk zijn’ niet volkomen zuiver zou zijn met betrekking tot deze twaalf aspecten—in deze drie fases van elk van deze Vier Edele Waarheden (cattari ariya sacca), zolang zou ik in de wereld met zijn goden (deva's), zijn mara's en brahma's, in deze generatie met zijn kluizenaren (samana) en brahmanen (brahmana), met zijn deva's en mensen—niet verklaard hebben de onvergelijkbare perfecte verlichting verwezenlijkt te hebben.”

“Maar zodra, monniken, mijn kennis en ‘de dingen zien zoals ze werkelijk zijn’, volkomen helder was met betrekking tot deze twaalf aspecten—in deze drie fases van elk van deze Vier Edele Waarheden—verklaarde ik in de wereld met zijn goden, zijn mara's en brahma's, in deze generatie met zijn kluizenaren en brahmanen, met zijn deva's en mensen, de onvergelijkbare perfecte verlichting verwezenlijkt te hebben.”

“En aldus verrees in mij deze kennis en het inzicht: ‘Onwrikbaar is de bevrijding van mijn geest. Dit is de laatste geboorte. Er zal geen wedergeboorte meer zijn.’”

Dat is wat de Gezegende zei. De monniken van de groep van vijf waren blij en verheugden zich over zijn woorden.

En gedurende deze uitspraak, verrees in de Eerwaarde Kondañña de hartstochtloze, onbevlekte visie van waarheid: “Alles wat de aard van opkomen in zich heeft, heeft ook de aard van vergaan in zich.”

Toen het Wiel der Wet aldus door de Boeddha te Isipatana in beweging werd gezet, verkondigden de Bhummatha deva's (aardgoden) éénstemmig: “Het onvergelijkbare wiel der wet is door de Gezegende in het hertenpark van Isipatana, nabij Varanasi, in beweging gezet en het is niet meer te stuiten door kluizenaar (samana), priester (brahmaan), hemelwezen (deva), de verzoeker (Mara), hoge goddelijkheid (deva's) of wie dan ook in de wereld.”

Toen zij de kreet van de aardgoden hoorden, verkondigden de Catumaharajika deva's éénstemmig: “Het onvergelijkbare Wiel der Wet is door de Gezegende in het hertenpark van Isipatana, nabij Varanasi, in beweging gezet en het is niet meer te stuiten door kluizenaar, priester, hemelwezen, de verzoeker, een hoge goddelijkheid of wat dan ook in de wereld.”

Deze woorden werden gehoord in de hogere hemelen van de zintuiglijke sfeer (kama loka). En het werd éénstemmig verkondigd in de Catumaharajika hemel, in de Tavatimsa hemel, in de Yama hemel, in de Tusita hemel, in de Nimmana rati hemel, in de Paranimmita vasavatti hemel en vervolgens in de Brahma kayika hemelen. En dit tienduizendvoudige wereldsysteem schokte, schudde en beefde, en een onbegrensde verheven schittering doordrong de pracht der goden en weerspiegelde in de wereld.

Toen uitte de Gezegende deze kreet: “Kondañña heeft het begrepen! Kondañña heeft het begrepen!” En dat is waarom Kondañña de naam ‘Aññata Kondañña’ (Kondañña die begrijpt) heeft gekregen.