Saṃyutta Nikāya

56.31. De Simsapa bladeren

Eens verbleef de Gezegende te Kosambi in het Simsapa woud. Daar nam hij een paar Simsapa bladeren in zijn hand en vroeg aan de monniken: “Wat denken jullie monniken, wat is meer in aantal: de paar Simsapa bladeren die ik in mijn hand heb of de bladeren daarginds in het Simsapa woud?”

“De bladeren in de hand van de Gezegende zijn minder in aantal, Heer. De bladeren daarginds in het woud zijn er veel meer.”

“Op dezelfde manier, monniken, zijn de dingen die ik gezien heb met directe kennis maar niet onderwezen heb, veel meer in hoeveelheid (dan de dingen die ik onderwezen heb). En waarom heb ik die dingen niet onderwezen? Omdat zij niet met het doel in verbinding staan, omdat zij niet in relatie staan met de essentie van het heilige leven en omdat zij niet leiden tot ontnuchtering, tot hartstochtloosheid, tot opheffing, tot kalmte, tot directe kennis, tot ontwaking, tot bevrijding. Dat is waarom ik dat niet onderwezen heb.”

“En wat heb ik onderwezen? ‘Dit is lijden (dukkha) (...) Dit is de oorzaak (samudaya) van lijden (...) Dit is de opheffing (nirodha) van lijden (...) Dit is het pad dat leidt tot de opheffing van lijden.’ Dat is wat ik onderwezen heb. En waarom heb ik deze dingen onderwezen? Omdat zij met het doel in verbinding staan, omdat zij in relatie staan met de essentie van het heilige leven en omdat zij leiden tot ontnuchtering, tot hartstochtloosheid, tot opheffing, tot kalmte, tot directe kennis, tot ontwaking, tot bevrijding. Dat is waarom ik dat onderwezen heb.”

“Daarom is het jullie taak dit te overdenken: ‘Dit is lijden (...) Dit is de oorzaak van lijden (...) Dit is de opheffing van lijden (...) Dit is het pad dat leidt tot de opheffing van lijden.’ Jullie taak is de overdenking: ‘Dit is het pad van oefening dat leidt tot de opheffing van lijden.’”