Sutta Nipāta 1.5

Cunda

Cunda: “Ik vraag aan de wijze Boeddha die van grote wijsheid is, die de Heer van de Dhamma is (Dhammassami), die vrij van hunkering is, die de edelste onder de mensen is, die de edelste onder de gidsen is: hoeveel soorten monniken zijn er in de wereld? Alstublieft, vertelt u mij dat.”

De Boeddha: “Cunda, er zijn vier soorten monniken, en niet vijf. Omdat je het me vraagt, zal ik het je toelichten: 1. één soort heeft het Pad verworven; 2. één soort zet het Pad uiteen; 3. één soort leeft op het Pad; en 4. één soort bezoedelt het Pad.”

Cunda: “Hoe beschrijft de Boeddha iemand die het Pad verworven heeft? En hoe degene die het Pad uiteenzet en onvergelijkbaar wordt? Vertel me over degene die op het Pad leeft en licht me dan in, over degene die het Pad bezoedelt.”

De Boeddha: “Degene die de twijfel overwonnen heeft, is bevrijd van verdriet en vindt vreugde in Nibbana, die is onthecht, en hij is een gids van mensen en goden deze soort van monniken wordt door de Boeddha's genoemd: ‘zij die het Pad verworven hebben’.”

“In deze Leer kent hij Nibbana als de edelste (staat) en verbreidt en verklaart hij de Dhamma welke goed uiteengezet is; deze wijze die twijfel vernietigd heeft, is zonder begeerte—deze tweede soort van monniken wordt genoemd: ‘zij die het Pad uiteenzetten’.”

“Iemand die indachtig is en die zichzelf onder controle heeft, iemand die overeenkomstig de Dhamma leeft welke goed uiteengezet is; iemand die de juiste principes beoefent—deze derde soort van monniken wordt genoemd: ‘zij die op het Pad leven’.”

“Hij die zichzelf vermomt door het kleed te dragen van de mensen die van goed gedrag zijn, die reist uit winstbejag, die hij maakt families te schande, die hij is schaamteloos, bedrieglijk, hij is een roddelaar en een kletser en hij doet alsof hij een echte monnik is—hij is degene die ‘het Pad bezoedelt’.”

“Huishouder, hij die kundig is en deze vier begrijpt, hij die een edele is, die een wijze discipel is en begrepen heeft dat ‘ze niet allemaal hetzelfde zijn’; bij hem, die het zo ziet, zal het vertrouwen (saddha) niet verminderen. Hoe kunnen de bezoedelde en de onbezoedelde, de zuivere en de onzuivere, als gelijken beschouwd worden?”