Sutta Nipāta 1.7

De uitgestotene

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Boeddha nabij Savatthi in het Jetavana klooster. Toen hij in de voormiddag zijn gewaden aangedaan had en z'n bedelnap opgenomen had, ging hij de stad Savatthi binnen voor zijn bedelronde. Op dat moment, was er in het huis van de brahmaan Aggika Bharadvaja, de vuuraanbidder, een vuur ontstoken en de voorwerpen voor de offerranden waren klaargemaakt.

Toen kwam de Boeddha, die van deur tot deur ging, bij de woning van de brahmaan aan. Toen hij de Boeddha naderbij zag komen, schreeuwde hij: “Stop daar, kaalkop, stop daar, kluizenaar, stop daar, uitgestotene!”

De Boeddha antwoordde kalm: “Brahmaan, kan jij een uitgestotene herkennen, of ken jij de dingen die bepalen dat iemand een uitgestotene is?”

“Nee, Meester Gotama, ik kan inderdaad niet een uitgestotene herkennen, of de dingen kennen die bepalen waardoor iemand een uitgestotene is. Het zou daarom verdienstelijk zijn, Meester Gotama, indien u me omtrent deze zaak zou inlichten.”

De Boeddha vervolgde: “Goed, brahmaan, luister en prent hetgeen volgt goed in je geest in.”

“Wie boos is, kwaadwilligheid koestert, kwaad van geest is en afgunstig is; wiens inzichten begoocheld zijn en die bedrieglijk is—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie leven vernietigt, of het nu een vogel of een ander dier is, een insect of een vis, heeft geen mededogen voor het leven—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie in stad en land destructief of agressief is en bekend staat als een vandaal of een gewetenloze misdadiger—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie van anderen steelt, of het nu in het dorp of in het woud is—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie in gebreke blijft bij contractuele schulden wanneer om betaling gevraagd wordt, vinnig antwoordt, “Ik ben u niets verschuldigd!”—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie zelfs een klein beetje steelt wie daarvoor een man langs de weg heeft gedood—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie woordbreuk begaat voor zijn eigen voordeel of voor dat van anderen—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie onwettige omgang heeft met de vrouwen van anderen of van zijn relaties of van zijn vrienden, of door onderlinge overeenstemming—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie niet zijn vader of moeder ondersteunt, als die oud en zwak zijn, terwijl hijzelf in een gunstige positie verkeert—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie met woorden tegen een vader, een moeder, een broer, een zuster of een schoonmoeder ingaat of hen misbruikt—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie om goed advies gevraagd wordt en dan onderwijst wat misleid of in onduidelijke woorden spreekt—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie een overtreding beging en het voor anderen verborgen wil houden en een huichelaar is—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie naar het huis van een ander gegaan is en zijn voordeel haalt vanwege de gastvrijheid en niet op zo'n zelfde manier iets terug wil doen—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie een priester bedriegt, een monnik of een andere spirituele leraar—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie misbruik maakt van woorden en een priester of een monnik niet gedienstig is als hij voor een maaltijd komt—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie verstrikt is in onwetendheid, iemand valse voorspellingen doet voor een nietig gewin—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie zichzelf verheft en anderen berispt, zelfvoldaan is in zijn verwaandheid—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie een uitlokker van redetwisten is of een gierigaard, boosaardige verlangens heeft, afgunstig is, schaamteloos is en geen wroeging kent in het begaan van kwaad—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie de Boeddha of zijn discipelen beledigt, of het degenen zijn die de wereld verzaakt hebben of de leken—zo een wordt gekend als een uitgestotene.”

“Wie geen Arahat is en wel doet alsof, hij is inderdaad de grootste schurk in de wereld, de laagste van alle uitgestotenen. Aldus heb ik blootgelegd wie de uitgestotenen zijn.”

“Iemand wórdt geen uitgestotene door geboorte, iemand wórdt geen brahmaan door geboorte. Het is door de daad, dat iemand een uitgestotene wordt, het is door de daad, dat iemand een brahmaan wordt.”

“Luister nu, en ik zal u een gelijkenis vertellen. Er was eens een zoon van een uitgestotene wiens naam Sopaka was, van de Matanga kaste.”

“Hij verwierf het toppunt van roem. Daarop kwamen krijgers, brahmanen en vele anderen om hem te dienen.”

“Toen hij de wereldse hartstochten vernietigd had, ging hij dat Edele Pad op en bereikte hij de brahma loka. Kaste verhinderde hem niet in het hemelse rijk te worden geboren.”

“Voor die brahmanen die vertrouwd waren met de Veda's en die geboren waren in een familie die de Veda's reciteerden geldt eveneens: als zij verslaafd zijn aan slechte daden,

worden zij niet enkel alleen in dit leven ten schande gebracht, maar ook in het volgende leven worden zij geboren in een staat van lijden. Kaste beschermt hen niet tegen schande of dat zij in een ellendige staat (niraya) worden geboren.”

“Iemand wórdt geen uitgestotene door geboorte, iemand wórdt geen brahmaan door geboorte. Het is door de daad, dat iemand een uitgestotene wordt, het is door de daad, dat iemand een brahmaan wordt.”

Toen de Boeddha gesproken had, riep de brahmaan Aggika Bharadvaja uit: “Het is verbazingwekkend, Eerwaarde Gotama, het is wonderbaarlijk, Eerwaarde Gotama! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Dat de Gezegende mij als een volgeling moge aannemen als iemand die zijn toevlucht heeft genomen vanaf deze dag tot het einde van zijn leven!”