Sutta Nipāta 3.6

Sabhiya

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende in het Bamboe Bos (Veluvana) bij de Eekhoorn Voederplaats te Rajagaha. Op dat moment werd een zwervende heilige man bezocht door een deva. De naam van die zwerver was Sabhiya en de deva was in een vorig bestaan een relatie van hem geweest. De deva gaf Sabhiya een lijst met vragen die hij aan iedere heilige man moest voorleggen die hij ontmoette. “Als je een priester of kluizenaar ontmoet die ze kan beantwoorden,” zei de deva, “dan moet je die man beschouwen als je leraar en met hem jezelf toeleggen op een leven in zuivering.”

En zo leerde Sabhiya deze vragen van buiten en ging hij op pad om alle grote leiders van die tijd op te sporen; alle beroemde leraren die hun eigen groep van volgelingen en asceten hadden. Hij zag vervolgens Purana Kassapa, Makkhali Gosala, Ajita Kesakambali, Pakudha Kaccayana, Sañjaya Belathiputtha en de Jain leraar Nigantha Nataputta, maar geen van hen kon zijn vragen beantwoorden. In plaats daarvan werden zij allemaal kwaad of voelde zij zich ongemakkelijk toen zij bemerkten dat zij gefaald hadden en begonnen zij Sabhiya allerlei tegenvragen te stellen.

‘Ik kan het opgeven en teruggaan naar een makkelijk leven, een leven van zinnelijk genot’, dacht Sabhiya. Maar toen bedacht hij zich iets anders: ‘Er was nóg een andere heilige man die beroemd was vanwege zijn Leer en het aantal volgelingen; een jonge man genaamd Gotama. Waarom zou ik het hem niet vragen?’ En vervolgens dacht Sabhiya: ‘Maar hij is wel erg jong en hij is nog niet zo lang een heilige man. Hoe kan hij meer weten dan die andere oudere leraren die ik gezien heb?’ Vervolgens ontsprong er in Sabhiya een andere gedachte: ‘Een heilige man moet geëerbiedigd worden vanwege zijn macht en zijn waardigheid, niet vanwege zijn leeftijd.’ Dus besloot hij uiteindelijk toch om te gaan en de heilige man Gotama te ontmoeten.

Hij begon aan zijn pelgrimstocht en op een dag arriveerde hij in Rajagaha. Daar, in het Veluvana bij de Eekhoorn Voederplaats, vond hij de Meester. Hij groette hem op een hoffelijke wijze, toonde hem respect en nadat hij aan zijn zijde was gaan zitten, sprak hij de Meester toe met verzen:

“Ik ben vol van verwarring en twijfel naar u toegekomen”, zei Sabhiya. “Ik zou zo graag deze vragen beantwoord willen zien—alstublieft, los ze voor eens en voor altijd op voor me en verklaar mij één voor één elk antwoord.”

“Sabhiya, je hebt een lange reis achter de rug met deze vragen waar je zo graag een antwoord op wilt”, zei de Boeddha. “Ik zal ze één voor één voor je oplossen en je ieder antwoordt één voor één verklaren.”

“Vraag maar wat je wilt, Sabhiya, en ik zal je het uitleggen en je verwarring ophelderen.” Sabhiya dacht: ‘Het is verwonderlijk! Het is verrassend! Andere asceten en brahmanen gaven me zelfs geen toestemming om m'n vragen te stellen, maar deze asceet Gotama geeft mij meteen toestemming om ze te stellen.’ Hij was blij, uitgelaten en aangemoedigd. En zo ondervroeg hij de Boeddha:

“Wat, Meester, moet je doen om jezelf een monnik te noemen. Wat betekent het om vriendelijk te zijn? Wat is de betekenis van beheersing? En wat betekent het om een Boeddha te zijn? Alstublieft Meester, verklaar deze vier dingen voor mij.”

En dit is wat de Meester hem vertelde:

“Een monnik, Sabhiya, is een persoon die voor zichzelf een pad heeft gemaakt waardoor hij volkomen kalmte heeft verworven en alle twijfels overwonnen heeft. Hij heeft afgedaan met bestaan en niet-bestaan, hij heeft het religieuze leven geperfectioneerd en hij heeft wedergeboorte vernietigd.”

“Hij is constant gelijkmoedig en waakzaam. Nergens doet hij iemand enig kwaad. Een monnik is iemand die overgestoken is. Hij is helder van geest. Hij heeft geen kwade vlekken. Zo iemand is vriendelijk; hij is de oceaan overgestoken.”

“Van hem, wiens zintuigen ontwikkeld zijn met betrekking tot de hele wereld, de interne en externe wereld—met een alles doordringend inzicht van deze en de volgende wereld; deze ontwikkelde persoon wacht in gelijkmoedigheid de tijd van de dood af.”

“Hij, die alle gedachten en de cyclus van het bestaan die uit geboorte en dood bestaat onderzocht heeft—de stofloze, onbevlekte, zuivere persoon die de vernietiging van geboorte bereikt heeft, wordt een Boeddha genoemd.”

Sabhiya beefde toen hij deze woorden hoorde en ging verder met het stellen van nog enkele vragen:

“Wat moet je doen om een brahmaan te zijn? Wat betekent het om te verzaken, een heilige man te zijn, een asceet te zijn? Wat betekent het om gezuiverd te zijn en wie kan een held worden genoemd? Alstublieft Meester, verklaar deze dingen voor mij.”

En de Meester antwoordde:

“Een brahmaan is een persoon, die, nadat hij alle kwaad heeft vermeden, vlekkeloos is, goed is, bedaard en evenwichtig is. Doordat hij de cyclus van het bestaan overwonnen heeft, is hij perfect geworden. Hij is onthecht en vastbesloten.”

“Een heilige man, is een man die zichzelf tot bedaren heeft gebracht, hij is een man die boven het goede en het kwade is uitgestegen. Hij kent deze wereld en de volgende; hij is vlekkeloos en heeft geboorte en dood overwonnen.”

“Doordat al het kwaad weggewassen is met betrekking tot de interne en de externe wereld, en met betrekking tot goden en mensen, blijft hij niet steken in conceptuele gedachten. Daarom wordt hij de gezuiverde genoemd.”

“Iemand die in de wereld leeft zonder kwaad te begaan, iemand die alle banden en ketenen (saññojana) verbroken heeft, iemand die zich nooit en nergens aan vastgrijpt, iemand die bevrijd is; zo iemand wordt een vastbesloten held genoemd.”

En ook door deze antwoorden ervoer Sabhiya een siddering door zijn hele lichaam en ging door met het stellen van nog meer vragen:

“Wie beschouwen verlichte mensen als een wereldoverwinnaar? Wat betekent het om kundig te zijn? Wat betekent het om een man van begrip te zijn en wie wordt een wijze man genoemd? Alstublieft Meester, verklaar deze dingen aan mij.”

En de Meester antwoordde hem:

“Je vraagt wat een wereldoverwinnaar is. Er zijn drie werelden: de wereld van de mensen (manussa loka), de wereld van de goden (deva loka) en de wereld van brahma-wezens (brahma loka). Een wereldoverwinnaar doorziet en begrijpt ze alle drie. Hij heeft zijn banden met deze werelden aan de wortels uitgetrokken en is ervan bevrijd. Dat is de staat die ‘wereldoverwinnaar’ heet.”

“Je vraagt wat kundigheid is. Er zijn drie soorten van schatten: die opeengestapeld zijn door mensen, die opeengestapeld zijn door goden en die opeengestapeld zijn door brahma-wezens. De man met kundigheid onderzoekt ze en begrijpt ze alle drie. Hij heeft zijn banden met deze opeenstapelingen aan de wortels uitgetrokken en is ervan bevrijd. Dat is de staat die ‘kundigheid’ wordt genoemd.”

“Een man van begrip is een man die naar zijn zintuigen heeft gekeken. Hij heeft begrepen hoe de zintuigen werken, beiden, in de geest en in de externe wereld. Hij kijkt met helderheid; hij is voorbij ‘zwart en wit’ gegaan en hij is stabiel.”

“En wat is een man van wijsheid? Een wijze man kent de weg van het onderscheiden van goed en verkeerd met betrekking tot beiden—de geest en de externe wereld. Goden en mensen respecteren hem beiden; hij heeft de banden en boeien (saññojana) verbroken.”

En ook door deze antwoorden ervoer Sabhiya een siddering door zijn hele lichaam en ging door met nog meer vragen te stellen:

“Wat moet je bereiken om een man van kennis te worden? Door wat wordt iemand een mens met inzicht? Hoe wordt iemand een energiek mens en wat betekent volwassenheid? Alstublieft Meester, verklaar deze dingen voor mij.”

De Meester vertelde hem dit:

“Wanneer een man naar kennis heeft gekeken en alles begrijpt dat bekend is voor heilige mensen en priesters, dan verdwijnen alle verlangens en hunkeringen naar gevoelens (vedana). Wanneer hij alle (wereldse) kennis achter zich laat, is hij werkelijk een man van kennis.”

“Het is het begrijpen van dat wat het mentale en het fysieke omvat, de wortel van de ziekten, beide, intern en extern; zo (door te begrijpen wat het mentale en het fysieke is) is hij bevrijd van alle banden die naar alle wortels van ziekten leiden. Vanwege deze reden wordt hij een standvastig mens met inzicht genoemd.”

“In deze Leer is hij vrij van kwaad en heeft hij de ellende van de hel overwonnen, vandaar dat hij energiek is. Hij is ijverig, energiek en vastberaden.”

“Je vroeg over volwassenheid, de man van hoge geboorte. De volwassene kapt ketenen door. Er zijn interne en externe ketenen en boeien en banden—volwassenheid betekent het doorkappen van deze. Het betekent hen bij de wortels uitrukken en vrij zijn. Dit is de staat die ‘volwassenheid’ wordt genoemd.”

Sabhiya beefde toen hij deze antwoorden ontving, en vol van vreugde, stelde hij de Meester meer vragen:

“Wat moet je doen om een geleerde man te zijn? Wat betekent het om een Ariya te zijn, een man van edele geboorte? Wat is een man van perfect gedrag? En aan wie wordt de naam ‘asceet’ gegeven? Alstublieft Meester, verklaar deze dingen aan mij.”

En de Meester vertelde hem dit:

“Nadat hij naar alle speculatieve opvattingen (ditthi) heeft geluisterd, weet hij wat wel prijzenswaardig is en wat niet prijzenswaardig is. Hij is zegevierend, bevrijd en voorbij verwarring en verstoring. Hij is een man van geleerdheid.”

“Een wijs man kapt de bezoedelingen en gehechtheden door. Hij gaat niet meer terug naar de baarmoeder. Hij is vrij van de drie drijfveren en hij blijft niet steken in de modder van ideeën. Hij is degene die een man van edele geboorte wordt genoemd.”

“Omdat een man van perfecte daden correct heeft geleefd, begrijpt hij in zijn kundigheid hoe dingen zijn. In hem is nergens gehechtheid meer, hij is bevrijd, hij heeft geen afkeer meer; dit is perfecte wijsheid.”

“En je vroeg over de asceet. Wanneer je ziet welke daden pijn veroorzaken en wanneer je die daden verlaat, wanneer je niet langer meer die daden pleegt, of het boven, beneden, achter, tussenin of waar dan ook in de buurt van deze daden is, dan ben je een asceet. Wanneer je van plaats tot plaats gaat en nooit de kracht verliest om dingen te begrijpen, dan ben je een asceet. Wanneer je je haat (dosa) verliest, je hebzucht (lobha), je begoocheling (moha) en je eigendunk (mana), en wanneer je je gevoel van psychische-fysieke individualiteit beëindigt, dan heb je succes verworven, dan ben je een asceet.”

Sabhiya de zwerver beefde vanwege deze woorden van de Meester. Vol van vreugde en blijheid stond hij op van zijn zitplaats en met samengevouwen handen en zijn schouders ontbloot, sprak hij de Meester met verzen toe:

“Meester, wijze,” zei hij, “u heeft afgedaan met de (traditionele) drieënzestig speculatieve meningen, de conclusies van kluizenaars die slechts conventionele en speculatieve ideeën zijn! U bent de stroom overgestoken en u heeft haar einde bereikt!”

“U bent naar het alleruiterste punt van het lijden gegaan en toen bent u daaraan voorbij gegaan! U, Meester, bent een man van waardigheid! Ik denk dat er voor u niet langer innerlijke drijfveren bestaan. U gloeit van begrip, u straalt van wijsheid; beëindig het lijden en draag mij naar de overkant!”

“U zag waar ik naar op zoek was, u wist waar ik onzeker over was en u droeg mij daar overheen! Wat meesterlijk! Wat een hoogte! Dit is het uiterste in wijsheid! Ik kan niets anders geven dan respect, niets dan eerbied aan dit krachtige gebouw van vriendelijkheid, deze bloedverwant van de zon (Adiccabandhu)!”

“U heeft al mijn twijfels opgehelderd met het oog van perfecte visie. Dus dit is wijsheid, dit is Volledige Verlichting! Dit is zoals het is wanneer niets je in de weg staat!”

“Alle bezorgdheden zijn verdwenen, verdraaiingen (vipallasa) zijn uitgebannen—en in plaats daarvan heeft u alles dat kalm, gecontroleerd, sterk en in precisie is.”

“Wanneer u spreekt, vieren de goden feest; wanneer zij u horen, verheugen zij zich. U bent een held onder de helden en de krachtigste onder de sterken!”

“Hier in de wereld is er niemand zoals u—u bent het beste en het meest edele wezen! Ik groet u en eer u!”

“U bent de Boeddha, de Verlichte. U bent de Meester, de Leraar. U bent de Mara-veroverende wijsheid. U heeft innerlijke neigingen en voorkeuren uitgesneden; u bent overgestoken en u neemt ons allemaal, ja allemaal, met u mee!”

Met de wedergeboorte-factoren beëindigd en de drijfveren vernietigd te hebben, bent u aan het einde van hechten. U bent als een leeuw in het woud, met niets te vrezen.”

Het is zoals een lotusbloem op een meer. Goed en kwaad rollen van u af zoals waterdruppels van een lotus bloemenblad, u bent onbezoedeld. Laat mij de voeten van onze overwinnaar (sugata) eren! Ik ben Sabhiya de aanbidder aan de voeten van zijn Leraar!”

En zo boog Sabhiya de zwerver zich aan de voeten van de Boeddha uit respect voorover en zei: “Het is verbazingwekkend, Eerwaarde Gotama, het is wonderbaarlijk, Eerwaarde Gotama! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Ik wil het thuisloze leven ingaan en de hogere inwijding nabij de Eerwaarde Gotama ontvangen.”

Toen werd Sabhiya ingewijd als een leek en ontving de hogere inwijding nabij de Boeddha. Later, door een leven te leiden in afzondering, ijverig, energiek en met een vastbesloten wil, begreep, ervoer en verwezenlijkte hij in korte tijd, die hoogste perfectie van een edel leven waarvoor de zonen van goede gezinnen het huiselijke leven op harmonieuze wijze verlaten, en het thuisloze leven aangaan. Wedergeboorte werd ten einde gebracht; een edel leven was geleefd; wat gedaan moest worden was gedaan en in dit aardse bestaan was er niets anders meer wat nog gedaan moest worden: Sabhiya was een van de Arahats geworden.