Sutta Nipāta 5.2

Ajita's vragen

“Wat is het” zei Ajita, “dat de wereld doet verstikken? Wat is het dat de wereld zo blind maakt? Wat is het dat de wereld bezoedelt, en wat is de grote bron van angst?”

“Het is onwetendheid (avijja)” zei de Meester, “wat de wereld doet verstikken. Het is vanwege onoplettendheid en hebzucht waardoor de wereld blind is. Door begeerte (tanha) wordt de wereld bezoedeld, en de grote bron van angst is de pijn van het lijden.”

“In elke richting” zei Ajita, “stromen de rivieren van begeerten. Hoe kunnen die gestopt worden; wat is hun beteugeling—vertel mij alstublieft—waardoor worden zij definitief gestopt?”

“Elke rivier kan gestopt worden door indachtigheid (sati)”, zei de Boeddha. “Ik zeg u dat ze door wijsheid (pañña) definitief gestopt worden.”

“Het is dus wijsheid (pañña) en indachtigheid (sati), maar Eerwaarde Heer,” zei Ajita, “dan is er ook nog geest en lichaam. Wat brengt dit tot een ophouden?”

“Dit is het antwoord op uw vraag, Ajita”, zei de Meester. “Individualiteit kan tot een totaal einde worden gebracht door de beëindiging van het bewustzijn (viññana).”

“Eerwaarde Heer,” zei Ajita, “hier zijn mensen die alle leringen meester zijn, en er zijn studenten en beginnelingen, en ook gewone mensen. Vertel mij, hoe deze mensen zouden moeten leven en werken.”

“Niet hunkeren naar zintuiglijke geneugten (kama raga) en met een geest die zuiver en kalm is, zo zou een monnik het thuisloze leven moeten aangaan; indachtig en vaardig in alle opzichten.”