Sutta Nipāta 5.6

Dhotaka's vragen

De brahmaanse student Dhotaka was de volgende die sprak:

“Meester,” zei hij, “ik wil u zo graag horen spreken. Alstublieft, Meester Leraar, leg mij dit uit: kan een leerling van uw Dhamma de kalmte van opheffing (Nibbana) voor hemzelf vinden?”

“Elke leerling van mijn Leer” zei de Boeddha, “die geestdriftig is, intelligent en gewaar, kan de kalmte van opheffing voor zichzelf vinden, in ‘t hier en het nu.”

“Ik kan nu zien” zei Dhotaka, “dat er in deze wereld een man is die niets heeft, een brahmaan, een thuisloze. Ik buig mij neer, en eer u, Eerwaarde Heer, het oog dat alles ziet. Alstublieft, Man van Sakya, bevrijdt u mij van verwardheid!”

“Het is niet aan mij om iemand van twijfels te bevrijden”, zei de Boeddha. “Wanneer u de meest waardevolle leerstelingen (bodhipakkhiya dhamma) begrepen hebt, dan zult u uit uzelf de oceaan oversteken.”

“Heb mededogen met mij, brahmaanse Heer”, zei Dhotaka. “Leer mij alstublieft de weg van onthechting, zodat ik die kan kennen zoals ze is, zodat ik in dit leven kan leven in de vrede en onafhankelijkheid die net zo vrij is als de lucht in de ruimte.”

“Ik zal die vrede uitleggen die niet gebaseerd is op ‘horen zeggen’ en die hier en nu te bereiken is. Het is een vrede waardoor, indien iemand waakzaam leeft, iemand zichzelf van zijn vastklampen aan de wereld kan bevrijden.”

“Meester Leraar,” zei Dhotaka, “het kan mij enkel vreugde schenken, te horen over een ultieme vrede waardoor, indien iemand waakzaam leeft, iemand zichzelf van zijn vastklampen aan de wereld kan bevrijden!”

“In elke richting zijn er dingen die je weet en herkent, boven, beneden, dwars doorheen en tussenin. Wanneer je beseft dat dit de dingen zijn die je aan de wereld vastbinden, dan kun je de begeerte naar zintuiglijke dingen laten gaan, de begeerte naar constant worden (bhava tanha).”