Udāna 1.10

Bahiya

Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. In die tijd leefde Bahiya van het Schorskleed bij de zeekust in Supparaka. Hij werd gerespecteerd, geëerbiedigd, vereerd, aanbeden, en hem werd hulde gebracht. Hij was iemand die de benodigde kleding, het benodigde bedelvoedsel, onderdak en de benodigde medicijnen verkreeg.

Terwijl hij in afzondering leefde, rees deze overweging op in de geest van Bahiya van het Schorskleed: “Ben ik een van de mensen in de wereld die Arahats zijn of die het pad naar Arahatschap hebben betreden?”

Toen begreep een deva, die een voormalige bloedverwant was van Bahiya van het Schorskleed, die overweging in zijn geest. Omdat hij vol mededogen was en hem wilde helpen, benaderde hij Bahiya en zei: “Bahiya, jij bent geen Arahat en ook heb jij het pad naar Arahatschap niet betreden. Jij volgt niet die training waardoor je een Arahat zou kunnen zijn of waardoor je het pad naar Arahatschap zou kunnen betreden.”

“Wie ter wereld,” vroeg Bahiya, “inclusief de deva's, zijn dan Arahats of hebben het pad naar Arahatschap betreden?”

“Bahiya, er is in een ver land een stad genaamd Savatthi. Daar leeft nu de Heer die de Arahat is, de Volledig Verlichte. Die Heer, Bahiya, is inderdaad een Arahat en hij onderwijst de Dhamma voor de realisering van Arahatschap.”

Bahiya van het Schorskleed werd diep geraakt door de woorden van de deva. Hij vertrok onmiddellijk uit Supparaka. Hij nam maar één nacht om de reis te volbrengen, en ging naar Savatthi waar de Heer verbleef in het Jetavana, het klooster van Anathapindika. Op dat moment liepen een aantal bhikkhu's op en neer in de buitenlucht. Toen naderde Bahiya van het Schorskleed deze bhikkhu's en sprak: “Eerbiedwaardige heren, waar leeft nu de Heer, de Arahat, de Volledig Verlichte? Wij verlangen ernaar die Heer te zien, die de Arahat is, de Volledig Verlichte.”

“De Heer, Bahiya, is om voedsel gaan bedelen bij de huizen.”

Bahiya verliet daarop haastig het Jetavana. Toen hij Savatthi binnenkwam, zag hij hoe de Heer in Savatthi om voedsel liep te bedelen—welgevallig, mooi om te zien, met tot rust gebrachte zintuigen en een kalme geest, beheerst, volmaakt, waakzaam met ingetogen zintuigen. Toen hij de Heer zag kwam hij naderbij, boog zich voorover aan de voeten van de Heer en sprak: “Onderwijs me de Dhamma, Heer; onderwijs me de Dhamma, Sugata, die me gedurende lange tijd tot welzijn en geluk zal strekken.”

Op deze woorden sprak de Heer tot Bahiya van het Schorskleed: “Het is een ongeschikt moment, Bahiya, we zijn met de bedelronde bezig.”

Een tweede maal sprak Bahiya tot de Heer: “Eerwaarde Heer, het is moeilijk om zeker te weten hoe lang de Heer zal leven of hoe lang ik zal leven. Onderwijs me de Dhamma, Heer; onderwijs me de Dhamma, Sugata, die me gedurende lange tijd tot welzijn en geluk zal strekken.” Ten tweede male sprak de Heer tot Bahiya: “Het is een ongeschikt moment, Bahiya, we zijn met de bedelronde bezig.”

Een derde maal sprak Bahiya tot de Heer: “Eerwaarde Heer, het is moeilijk om zeker te weten hoe lang de Heer zal leven of hoe lang ik zal leven. Onderwijs me de Dhamma, Heer; onderwijs me de Dhamma, Sugata, die me gedurende lange tijd tot welzijn en geluk zal strekken.”

“In deze Leer, Bahiya, moet je jezelf aldus trainen: ‘In hetgeen men ziet, zal slechts zijn wat gezien is; in hetgeen men hoort, zal slechts zijn wat gehoord is; in hetgeen gevoeld wordt, zal slechts zijn wat gevoeld is; in hetgeen men waarneemt, zal slechts zijn wat waargenomen is.’ Op deze manier moet je jezelf trainen, Bahiya.”

“Als, Bahiya, in hetgeen je ziet, slechts is wat gezien is; in hetgeen je gehoord hebt, slechts is wat gehoord is; in hetgeen je voelt, slechts is wat gevoeld is; in hetgeen je waarneemt, slechts is wat waargenomen is, dan, Bahiya, zul je niet ‘daarbij’ horen; als, Bahiya, je niet ‘daarbij’ hoort, dan, Bahiya, zul je niet ‘daarin’ zijn; als, Bahiya, je niet ‘daarin’ bent, dan, Bahiya, zul je noch hier, noch aan de andere zijde, noch tussen beide in zijn. Precies dit is het einde van lijden.”

Door dit korte Dhamma onderwijs van de Heer was op dat moment de geest van Bahiya van het Schorskleed onmiddellijk bevrijd van de bezoedelingen zonder vast te grijpen. Toen, nadat hij Bahiya had onderwezen met dit korte onderricht, ging de Heer weg.

Niet lang na het vertrek van de Heer viel een koe met een jong kalf Bahiya van het Schorskleed aan en doodde hem. Toen de Heer, na zijn bedelronde in Savatthi, met een aantal monniken terugkwam van de bedelronde, zag hij bij zijn vertrek uit de stad dat Bahiya van het Schorskleed gestorven was.

Toen hij dit zag, sprak hij tot de monniken: “Monniken, neem het lichaam van Bahiya, leg het op een draagbaar, draag het weg en verbrand het, en maak er een stupa voor. Jullie metgezel in het heilige leven is gestorven.”

“Goed, Eerwaarde Heer”, antwoordden de monniken.

Zij namen het lichaam van Bahiya op, legden het op een draagbaar, droegen het weg en verbrandden het en maakten er een stupa voor. Toen gingen zij naar de Heer en gingen aan zijn zijde op de grond zitten. Toen zij daar zaten spraken die monniken tot de Heer: “Het lichaam van Bahiya is verbrand, Eerwaarde Heer, en er is een stupa voor gemaakt. Wat is zijn bestemming, wat is zijn toekomstige geboorte?”

“Monniken, Bahiya van het Schorskleed was een wijs man. Hij handelde volgens de Dhamma en viel me niet lastig met geredetwist over de Dhamma. Monniken, Bahiya van het Schorskleed heeft definitief Nibbana bereikt.”

Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

Waar geen water en evenmin aarde,
noch vuur noch lucht vaste voet krijgen,
daar fonkelen geen sterren, uit geen zon straalt er licht,
daar schijnt geen maan, toch heerst er geen duisternis.

Wanneer een heilige, een brahmaan, dit eenmaal weet
voor zichzelf, door zijn eigen ervaring,
dan is hij bevrijd van vorm en het vormloze,
hij is bevrijd van genot en van pijn.