Udāna 1.4

De Nigrodha boom

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Heer in Uruvela, nabij de rivier de Nerañjara onder de Nigrodha boom van de Geitenhoeders, toen hij juist de volledige verlichting gerealiseerd had. In die tijd zat de Heer gedurende zeven dagen met zijn benen gekruist, en hij ervoer de zegen der bevrijding. Toen die zeven dagen waren verstreken, rees de Heer uit die concentratie op.

Toen naderde een zekere hooghartige brahmaan de Heer. Toen hij naderbij gekomen was, wisselde hij beleefd begroetingen met hem uit en ging aan zijn zijde staan. Daar staande sprak die brahmaan tot de Heer: “Goede Gotama, waardoor is men een brahmaan, en wat zijn de dingen die iemand tot een brahmaan maken?”

Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

Een brahmaan is iemand die slechte staten heeft verworpen;
niet hooghartig, vrij van bezoedelingen (asava), vol zelfbeheersing,
volmaakt in kennis, iemand die het heilige leven heeft geleefd;
hij zou terecht het woord ‘brahma’ kunnen gebruiken,
hij, die geen belemmeringen ondervindt, waar dan ook ter wereld.