Udāna 1.5

De ouderlingen

Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. Toen benaderden de eerbiedwaardige Sariputta, de eerbiedwaardige Maha Moggallana, de eerbiedwaardige Maha Kassapa, de eerbiedwaardige Maha Kaccayana, de eerbiedwaardige Maha Kotthita, de eerbiedwaardige Maha Kappina, de eerbiedwaardige Maha Cunda, de eerbiedwaardige Anuruddha, de eerbiedwaardige Revata, de eerbiedwaardige Devadatta, en de eerbiedwaardige Ananda de Heer. Toen hij deze eerbiedwaardige mensen zag komen, sprak de Heer tot de bhikkhu's: “Zij die daar aankomen, zijn brahmanen, monniken, zij die daar aankomen, zijn brahmanen.”

Toen dit gezegd was, vroeg een zekere bhikkhu, die van geboorte brahmaan was, aan de Heer: “Waardoor, eerbiedwaardige Heer, is iemand een brahmaan, en wat zijn de dingen die van iemand een brahmaan maken?”

Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

Zij die ontwaakt zijn, wier ketenen verbroken zijn,
die slechte staten hebben verworpen
en zich altijd indachtig gedragen—
zij zijn de brahmanen in de wereld.