Udāna 1.6

Maha Kassapa

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Heer nabij Rajagaha in het Veluvana bij de Eekhoorn Voederplaats (Kalandakanivapa). In die tijd werd de Eerwaarde Maha Kassapa, terwijl hij in de Pipphali Grot verbleef, onwel, gekweld, ernstig ziek. Na enige tijd herstelde Maha Kassapa van die ziekte en dacht: “Als ik nu eens Rajagaha inga om mijn voedselronde te doen?”

Toentertijd waren vijfhonderd deva's druk bezig om voedsel te bereiden voor de Eerwaarde Maha Kassapa. Echter, de Eerwaarde Maha Kassapa weigerde hetgeen die vijfhonderd deva's hem aanboden. Hij kleedde zichzelf in de voormiddag, nam zijn nap en zijn bovenkleed, en ging Rajagaha in voor zijn voedselronde. Hij ging naar die straten die bewoond werden door de armen en behoeftigen, de straten van de wevers.

Nu zag de Heer de Eerwaarde Maha Kassapa in Rajagaha lopen, bedelend om voedsel in die straten die bewoond werden door de armen en behoeftigen, de straten van de wevers.

Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

Wie niet een ander onderhoudt en wie onbekend is,
beheerst, standvastig gevormd in het wezenlijke,
wiens bezoedelingen zijn opgeheven en wie bevrijd is van gebreken,
hem noem ik een brahmaan.