Udāna 2.3

De stok

Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. In die periode, daar tussen Savatthi en het Jetavana, sloegen een aantal jongens een slang met een stok. Nadat de Heer in de ochtend zijn gewaad had aangedaan en zijn bedelnap en bovenpij genomen had, ging hij naar Savatthi om voedsel te verzamelen. Toen zag hij die jongens daar, tussen Savatthi en het Jetavana, terwijl zij een slang sloegen met een stok.

Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

Hij, die voor zichzelf geluk wenst,
wezens die ook geluk zoeken, met een stok pijnigt,
verwerft geen geluk in het hiernamaals.

Hij, die voor zichzelf geluk wenst,
wezens die ook geluk zoeken, niet pijnigt,
verwerft geluk in het hiernamaals.