Udāna 5.4

De jongens

Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. In die periode, daar tussen Savatthi en het Jetavana, kwelden een aantal jongens een vis (in een vijver). Nadat de Heer in de ochtend zijn gewaad had aangedaan en zijn bedelnap en bovenpij genomen had, ging hij naar Savatthi om voedsel te verzamelen. Toen zag hij die jongens daar, tussen Savatthi en het Jetavana, bezig met het kwellen van de vis.

Toen hij dit zag, ging hij naar hen toe en vroeg: “Jongens, vrezen jullie, pijn?”—“Ja, Eerwaarde Heer, wij vrezen pijn. Wij verafschuwen pijn.”

Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

Als jullie pijn vrezen, als jullie pijn verafschuwen,
doe dan geen slechte daad in het openbaar of stiekem.

Als jullie een slechte daad begaan hebben
of er nu een begaan,
dan zullen jullie niet aan pijn ontkomen,
ook al zouden jullie daarvoor willen vluchten.